Het IBP Vitaal Platteland wil problemen integraal aanpakken. Dat vraagt om integrale kennis. De werkgroep Kennis en Onderzoek bekijkt daarom welke kennis nodig is én hoe de juiste kennis op de juiste plek terechtkomt. Kees Breed is kenniscoördinator bij de VNG én lid van deze werkgroep. Ook schreef hij mee aan de publicatie Kennis van en voor gemeenten.

‘Door alle decentralisaties wordt het steeds belangrijker om, als gemeenten, regio’s, bedrijven en burgers samen in kaart te brengen: wat speelt er bij ons?’, stelt Breed. ‘Ze moeten integrale afwegingen te maken, en daarvoor is integrale kennis nodig.’

Breed illustreert die stelling met een voorbeeld: ‘Stel, je hebt als overheid een probleem: ‘natte voeten’. En je komt met de oplossing: ‘brede rioolbuizen onder de grond om het water af te voeren’. Probleem opgelost! Maar dan wil je een jaar later, in het kader van de energietransitie, een warmtenetwerk aanleggen. Dat kan niet, want de grond ligt al vol buizen. Daarom is het belangrijk dat je op tijd bij elkaar gaat zitten, mét de mensen die bij die uitdagingen zijn betrokken. Doe je dat niet, dan kom je als bestuurder steeds voor voldongen feiten te staan.’

Portret van Kees Breed

Drie sporen

Het IBP VP is wat dat betreft veelbelovend, vindt Breed. Waarom? ‘Omdat het inzet op drie sporen. Ten eerste worden de kennisvragen geformuleerd met alle betrokken partijen samen, in de gebiedsplannen. Ten tweede zijn er de werkplaatsen, omdat de gebieden veel van elkáár kunnen leren. En tot slot de lerende evaluatie tijdens het project, door het PBL, waarbij gebieden al tijdens het proces reflecteren: zijn we op de goede weg, waar stuiten we op, en waar moeten we wat bijstellen?’

Uitdaging voor kennisinstellingen en gemeenten

Ook kennisinstellingen hebben een belangrijke rol in het IBP. Het PBL dus, maar bijvoorbeeld ook de universiteit van Wageningen die is betrokken bij een aantal gebiedsplannen. En ook deze instellingen staan voor een nieuwe uitdaging. Breed: ‘Zij waren gewend beleidsvragen uit de ministeries te beantwoorden, vaak ‘wat-vragen’: vertel ons wat we moeten doen, dan regelt het departement het verder. Nu komen er ineens vragen uit alle hoeken van het land – en vaak stellen gemeenten ook meer ‘hoe’-vragen. Dat vraagt om nieuwe methoden en technieken.’

Kennisinstellingen vragen zich dan ook nog wel eens af hoe ze al hun kennis kunnen laten landen bij de gemeenten. ‘Daarin vind ik altijd een goede metafoor in Schiphol. Waar landen daar de vliegtuigen? Op dezelfde plaats waar ze ook starten. Betrek die gemeenten, die regio’s ook bij de start van je onderzoek, dan landt het vanzelf.’

‘Aan de andere kant zijn gemeenten niet altijd in staat om een kennisvraag te vertalen naar een onderzoeksvraag. Maar het gebied zou een goede schaal kunnen zijn om daarin verder te komen. Universiteiten en hbo’s, met hun regionale positionering, kunnen bijvoorbeeld een belangrijke rol spelen. Door zelf te onderzoeken, maar ook door een schakel te vormen tussen gemeenten en kennisinstellingen. Dat gebeurt bijvoorbeeld al in het sociaal domein, bij de regionale energiestrategie, en bij een aantal Citydeals.’

Kijken naar andere programma’s

Wat houdt de werkgroep Kennis en Onderzoek verder bezig? Breed: ‘We halen kennis op bij andere programma’s, waarin het ook gaat over klimaat, leefomgeving en bodem – maar ook naar het sociaal domein. Zo hebben we een interessante bijeenkomst gehad met het Veluweberaad, waar ook het KNMI, PBL en Deltares bij zitten, en lokale onderzoekers van de Vereniging Statistiek en Onderzoek. We hebben besproken wat we van elkaar kunnen leren, hoe we kunnen verdiepen en verrijken.’

Eerder dit jaar organiseerde de werkgroep ook de reflectiesessie in mei, waar experts de gebiedsplannen doorlichtten. ‘Vervolgens hebben we gekeken welke kennisvragen als rode lijnen door die gebiedsplannen heenlopen. Zo leeft bij veel gebieden de vraag: hoe komen we tot een gebiedsverhaal, het DNA van een gebied, waarin de centrale waarden van het gebied naar voren komen? En hoe zorgen we dat we daar ook in de toekomst wat aan hebben? De komende tijd gaan we op zoek naar het antwoord op die én andere vragen.’